Sponsoring. »
Vanuit onze christelijke levensovertuiging en maatschappelijke betrokkenheid ondersteunen we een aantal goede doelen.
Een werkgever ontslaat een werknemer op staande voet, nadat gebleken is dat de werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid in een café-restaurant werkzaamheden verrichtte achter de bar. De kantonrechter oordeelt dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, een schadevergoeding en de proceskosten. In ons commentaar gaan wij in op de vraag wanneer een ontslag op staande voet wegens werkzaamheden tijdens ziekte wel rechtsgeldig kan zijn. Bij een handel in bouwmaterialen is sinds augustus 2020 een magazijnmedewerker in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenregeling is bepaald dat de werknemer tijdens ziekte geen arbeid mag verrichten, behalve wanneer dat in het belang van zijn gezondheid is voorgeschreven of wanneer hij hiervoor toestemming heeft gekregen van de arbodienst. De werknemer is sinds 5 maart 2025 arbeidsongeschikt. Vanaf 7 mei 2025 mag hij op advies van de bedrijfsarts re-integratiewerkzaamheden gaan verrichten. Op 28 juli 2025 wordt de werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij op 19 juli 2025, tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, in een café-restaurant werkzaamheden verrichtte acht de bar. De werknemer staat onder bewind. Zijn bewindvoerders verzoeken de kantonrechter voor recht te verklaren dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt en zij verzoeken de kantonrechter om de werkgever te veroordelen een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding te betalen, met de rente over deze vergoedingen. Daarnaast verzoeken de bewindvoerders de werkgever te veroordelen tot een schadevergoeding ter hoogte van de vóór de procedure gemaakte juridische kosten te betalen, alsmede tot betaling van de proceskosten. De kantonrechter stelt vast dat uit de verklaring van de werknemer blijkt dat hij in verband met de drukbezochte, jaarlijkse Visserijdagen en vanwege zijn goede band met de eigenaar van het café-restaurant, op vrijwillige basis en zonder tegenprestatie, enkele uren heeft bijgesprongen in het café-restaurant en dat hij in dat kader enkel lege glazen heeft opgehaald en een aantal biertjes heeft getapt. De kantonrechter overweegt daarbij dat de werkgever niet heeft gesteld en dat verder ook niet is gebleken dat de werknemer op de bewuste avond meer of andere werkzaamheden in het café-restaurant heeft verricht. De kantonrechter overweegt voorts dat in de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenregeling weliswaar is bepaald dat de werknemer tijdens ziekte – uitzonderingen daargelaten - geen arbeid mocht verrichten, maar dat daarin niet is toegelicht wat onder het begrip arbeid moet worden verstaan. Bovendien maakt het bijspringen van de werknemer in het café-restaurant in ieder geval niet dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk wetboek. De stelling van de werkgever dat de werkzaamheden de werknemer energie kostten doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Het had in de gegeven omstandigheden op de weg van de werkgever gelegen om de bedrijfsarts te laten beoordelen of de werkzaamheden in het café-restaurant voor de werknemer zodanig belastend waren dat zijn re-integratie daardoor belemmerd werd. Bovendien, zelfs als vast zou staan dat de werknemer met het uitvoeren van de bewuste nevenactiviteiten zijn re-integratie belemmerde, of zich niet aan re- integratievoorschriften hield, had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van de werkgever gelegen om eerst een minder vergaande sanctie toe te passen in de vorm van een loonstop. Omdat de werknemer ziek was, de werkgever niet eerst een onderzoek door de bedrijfsarts heeft laten verrichten naar de impact van de werkzaamheden én de werkgever niet eerst een minder vergaande sanctie heeft toegepast, is de kantonrechter van oordeel dat de handelwijze van de werknemer geen dringende reden voor een ontslag op staande voet opleverde. Daarbij wordt door de kantonrechter ook meegewogen dat het hier om een eenmalig incident gaat, het geen concurrerende werkzaamheden betrof en dat de werknemer er ook niet voor betaald kreeg. De door de bewindvoerders verzochte verklaring voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst van de werknemer door de werkgever geen dringende reden ten grondslag ligt, wordt daarom toegewezen. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van de transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Ten aanzien van de billijke vergoeding overweegt de kantonrechter dat een vergoeding van afgerond € 10.000,- passend is te achten. Hierbij weegt hij mee dat als het onterechte ontslag van 28 juli 2025 zou worden weggedacht, de arbeidsrelatie sowieso al in aanzienlijke mate verstoord was, een lange en vruchtbare samenwerking er dus niet meer in zat en een eventueel ontbindingsverzoek van de werkgever ertoe zou leiden dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2026 zou zijn ontbonden. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding heeft de werkgever daarnaast meegewogen dat er enige afschrikwekkende werking voor de werkgever van uit mag gaan. Tot slot moet de werkgever de vóór de procedure gemaakte juridische kosten en de proceskosten betalen.... lees verder
In een vonnis van de kantonrechter Amsterdam stond de vraag centraal of een werkgever van een arbeidsongeschikte werknemer mocht verlangen dat hij op verzoek van de bedrijfsarts naar Nederland kwam om zijn arbeids(on)geschiktheid te laten beoordelen. De werknemer verbleef in Portugal. Toen hij niet naar Nederland kwam, paste de werkgever een loonstop toe. De kantonrechter oordeelde dat die loonstop terecht was. Hoewel de beslissing van de kantonrechter goed te begrijpen is, als naar de feiten van de zaak wordt gekeken, moeten toch vraagtekens bij de beslissing worden geplaatst. In ons commentaar gaan we in op de Europese wetgeving die in deze zaak een rol speelt. Een werknemer was op 21 december 2023 naar Portugal gereisd vanwege een familiaire aangelegenheid: de hond van de werknemer, die bij zijn moeder verbleef, lag op sterven en kon niet langer door zijn moeder worden verzorgd. Nadat de hond was overleden, meldde de werknemer zich op 25 december 2023 ziek. Op 28 december 2023 stuurde hij een Portugese doktersverklaring aan zijn werkgever, waarin stond dat de werknemer ziek was. De Portugese arts verklaarde daarbij ook: “Gezien de situatie moet hij momenteel reizen vermijden.” De werknemer zelf liet weten dat hij in Portugal een therapietraject van een maand was gestart. Op 23 januari 2024 vond een digitaal spreekuur plaats met de bedrijfsarts in Nederland. De bedrijfsarts noteerde dat een onderzoek nodig was dat niet digitaal kon worden uitgevoerd. Na de behandeling van een maand in Portugal zou de werknemer naar Nederland moeten komen voor behandeling. Op de vraag of sprake was van een reisbeperking antwoordde de bedrijfsarts: “nee”. Ook noteerde hij: “De voorwaarde voor ziekteverzuim is dat betrokkene in Nederland zijn behandeling volgt.” Daarna vroeg de werknemer tot tweemaal toe om een second opinion door een andere bedrijfsarts, maar die verzoeken werden door de arbodienst afgewezen. Ook een verzoek om begeleiding door een andere bedrijfsarts werd afgewezen. Vervolgens ontstond discussie over een afspraak bij de bedrijfsarts in februari 2024. De werknemer verscheen niet op het consult van 20 februari 2024, maar stelde dat hem de verkeerde datum was doorgegeven en dat de afspraak eigenlijk op 21 februari zou plaatsvinden. In zijn e-mail schreef hij zelfs: “I was prepared to come to the in person appointment on the 21st.” De werkgever bood later excuses aan voor de verwarring over de datum. Op 27 februari 2024 vond alsnog een digitaal consult plaats. Ook toen bleef de bedrijfsarts bij zijn eerdere oordeel. Volgens de bedrijfsarts is er duidelijk een probleem maar is de vraag of er ook sprake is van ziekte. In de rapportage staat: “I cannot assess problem digitally” en ook: “The person concerned does not have a travel restriction.” De werknemer bleef daarna desondanks in Portugal. Later beriep hij zich ook nog op klachten na een motorongeluk in april 2024, maar daarin zag de kantonrechter geen voldoende onderbouwde reisbeperking. In een brief van 21 maart 2024 deelt de werkgever aan de werknemer mede dat de loonbetaling wordt stopgezet. Dat leidt tot een procedure bij de kantonrechter, waarin de werknemer betaling van het loon vordert. De kantonrechter volgt echter de werkgever. De rechter overweegt dat in Nederland de bedrijfsarts degene is die moet vaststellen of een werknemer in staat is passende werkzaamheden te verrichten en dat de werkgever bij de inrichting van de re-integratie op dat oordeel mag afgaan. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat het afreizen naar Nederland in deze zaak nodig was voor de re-integratie en dat “het voorschrift van de werkgever daarom gepast en niet onredelijk is.” Daarbij woog mee dat de bedrijfsarts herhaaldelijk had geoordeeld dat geen reisbeperking bestond, dat de Portugese medische stukken volgens de kantonrechter te weinig concreet waren en dat de werknemer zelf had geschreven dat hij bereid was geweest om naar Nederland te komen. De conclusie luidde daarom dat de werknemer zonder deugdelijke grond het voorschrift niet had opgevolgd en dat de loonstop terecht was.... lees verder
Aan een werknemer is met ingang van 16 februari 2009 een WW-uitkering toegekend. Ruim een jaar later besluit het UWV om per diezelfde datum een Ziektewetuitkering aan de werknemer toe te kennen. De oorspronkelijk toegekende WW-uitkering moet daarmee dan zijn vervallen. Het gevolg daarvan is dat de Ziektewetuitkering behoort tot het risico van de werkgever die op dat moment eigenrisicodrager voor de Ziektewet was. De eigenrisicodrager meldt de ex-werknemer vervolgens per 23 augustus 2010 hersteld. Het UWV besluit dan op 24 augustus 2010 dat de Ziektewetuitkering per 23 augustus 2010 wordt beëindigd. Tegen dat besluit maakt de ex-werknemer geen bezwaar. Meer dan tien jaar (!) later, op 1 februari 2021, vraagt de ex-werknemer het UWV om terug te komen van dat besluit. Vervolgens besluit het UWV op 10 december 2021 dat de werknemer met ingang van 10 februari 2020 recht heeft op een IVA-uitkering. De ex-werknemer stelt schade te hebben geleden door dit besluit van het UWV, aangezien hij door de nabetaling van de IVA-uitkering over de periode van 10 februari 2020 tot 1 januari 2022 meer inkomstenbelasting heeft moeten betalen, recht had op een lager bedrag aan huur-en zorgtoeslag en bijstand aan de gemeente heeft moeten terugbetalen, dit vanwege een ontvangen erfenis en wettelijke rente. In 2024 wijst het UWV een verzoek van de ex-werknemer om schadevergoeding af. Volgens het UWV is het besluit van 24 augustus 2010 wel onrechtmatig, omdat het UWV is teruggekomen van de eerdere hersteldmelding, maar is het UWV daarvoor niet aansprakelijk omdat de uitvoering van de Ziektewet, inclusief de verzuimbegeleiding en de medische controle, de verantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager was. De ex-werknemer is in de periode van oktober 2010 tot januari 2021 niet bij het UWV in beeld geweest. Daarop verzoekt de ex-werknemer de rechtbank om schadevergoeding aan hem toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat de onrechtmatigheid van het besluit van 24 augustus 2010 niet in geschil is. Maar de rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat het onrechtmatige besluit niet is terug te voeren tot handelen of nalaten van het UWV, maar van de eigenrisicodrager. Fouten bij de besluitvorming komen daardoor volgens de rechtbank niet voor rekening van het UWV. Voor zover de geleden schade het rechtstreekse en onmiddellijke gevolg zijn van het ten onrechte beëindigen van de Ziektewetuitkering per 23 augustus 2010, is dat volgens de rechtbank niet het gevolg van het besluit van het UWV van 24 augustus 2010.... lees verder
Een werknemer is werkzaam als beveiliger. Met een brief van 18 juli 2025 heeft de korpschef van de politie-eenheid Den Haag de werkgever en de werknemer in kennis gesteld van het voornemen om op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus de toestemming voor de werknemer om werkzaamheden te verrichten voor de werkgever, in te trekken. De werknemer heeft zich met ingang van 12 augustus 2025 ziekgemeld. In een brief van de korpschef van 9 september 2025 wordt aan de werkgever en de werknemer medegedeeld dat de aan de werknemer verleende toestemming om voor de werkgever te werken vanwege “binnengekomen ambtsberichten” is ingetrokken. Daarop heeft de werkgever de werknemer met een brief van 7 oktober 2025 laten weten dat de loonbetaling aan hem met ingang van 9 september 2025 is gestaakt. In een advies van de bedrijfsarts van 17 november 2025 staat dat de werknemer arbeidsongeschikt is en vanaf 1 april 2026 naar verwachting weer volledig arbeidsgeschikt zal zijn. De werknemer vordert in kort geding betaling van het loon vanaf 9 september 2025. Hij stelt daarbij dat hij al ziek was voordat de korpschef de toestemming om als beveiliger te mogen werken had stopgezet. Hij stelt bovendien dat de intrekking van de toestemming nog niet definitief is, omdat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter stelt enerzijds vast dat de werknemer vanaf 12 augustus 2025 wegens ziekte verhinderd is om te werken en dat hij op grond van de wet in principe recht heeft op doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte. De kantonrechter stelt anderzijds vast dat de intrekking van de toestemming om te werken voor de werkgever in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen, zodat de werknemer op grond van een andere wettelijke bepaling geen recht heeft op loon. De kantonrechter overweegt dat er aldus twee wettelijke regels samenlopen en dat deze botsen: enerzijds heeft de werknemer recht op loon tijdens ziekte, anderzijds heeft hij geen recht op loon omdat het niet werken door de intrekking van de toestemming om te werken voor zijn rekening behoort te komen. De kantonrechter overweegt vervolgens dat de primaire oorzaak van de verhindering om te werken bepalend is voor de beslissing welke bepaling voorgaat op de andere. Die primaire oorzaak is naar het oordeel van de kantonrechter gelegen in de intrekking van de toestemming om te werken door de korpschef. Hij komt tot dit oordeel omdat (1) de intrekking van de toestemming om te werken al aan de werkgever en de werknemer was aangekondigd vóór de datum van de ziekmelding, (2) de werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat de intrekking van de toestemming om te werken verband houdt met zijn ziekte of daarvan het gevolg is; (3) door de intrekking van de toestemming om te werken elke mogelijkheid van de werknemer om te werken voor de werkgever is geblokkeerd, en de werknemer dus ook geen recht op loon heeft als hij niet (meer) ziek is. Dat de intrekking van de toestemming om te werken vanwege het ingediende bezwaar nog niet definitief is, doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Bovendien is de kantonrechter niet gebleken van een duidelijke fout of vergissing bij de intrekking van de toestemming om te werken.... lees verder
Een man en een vrouw zijn sinds 2008 met elkaar gehuwd. In 2024 komt het tot een echtscheiding. In 2019 is tussen de man en de B.V. van de vrouw een arbeidsovereenkomst gesloten met een salaris van ruim € 6.500 bruto per maand. In november 2025 stopt de B.V. met de loonbetaling, stellend dat in feite geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De man vordert daarom in kort geding dat het loon alsnog wordt betaald. De B.V. vordert op haar beurt terugbetaling van het loon over de maanden juli 2025 tot en met oktober 2025. Als de kantonrechter in kort geding over de zaak moet oordelen, gaat deze op basis van het toetsingskader dat door de Hoge Raad is ontwikkeld, beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als eerste onderzoekt de kantonrechter of sprake is van een verplichting tot het verrichten van arbeid. Vast staat dat de man werkzaamheden verrichtte. Hij deed allerlei klusjes. De kantonrechter kan echter niet vaststellen wat de omvang van de werkzaamheden was en of de man tot het verrichten van die werkzaamheden verplicht was, dan wel of hij dat deed op grond van de relatie met zijn echtgenote. De man had wel veel vrijheden, voor wat betreft de werktijden, het opnemen van vakantie en het (niet) ziekmelden. Er is wel een schriftelijke arbeidsovereenkomst maar die zou zijn opgesteld om een hypotheek te krijgen voor de aankoop van een woning. Op een mail van de controller van het bedrijf aan een derde, waarin staat dat de man niet werkte onder controle of toezicht van de vrouw, heeft de man nooit gereageerd ondanks dat hij daarvan wel een kopie had gekregen. In verband met dit alles is een verplichting tot het verrichten van arbeid volgens de kantonrechter niet komen vast te staan. De kantonrechter is van mening dat ook onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van een verplichting tot loonbetaling. Weliswaar is sinds 2019 maandelijks loon betaald en zijn loonstroken verstrekt, maar niet gebleken is dat daarbij sprake is van een tegenprestatie voor verrichte arbeid. De controller van het bedrijf heeft ter zitting verklaard dat de hoogte van het loon is vastgesteld op fiscale gronden. De hoogte van het loon staat ook niet in verhouding tot de verrichte werkzaamheden. Verder werden er ook geen premies werknemersverzekeringen afgedragen. Voor wat betreft de gezagsverhouding stelt de kantonrechter dat die binnen een huwelijk niet gebruikelijk is. Het is daarom aan de man om de gezagsverhouding te onderbouwen. Daarin is de man volgens de kantonrechter niet geslaagd. Weliswaar is de vrouw de man instructies gaan geven, maar dat is pas gebeurd nadat zij met elkaar gebrouilleerd waren geraakt. De kantonrechter acht van belang dat beide partijen zich als directeur-grootaandeelhouder gedroegen en dat beide geen premies werknemersverzekeringen afdroegen. Omdat aldus geen sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt de vordering van de man tot betaling van loon afgewezen. De tegenvordering van de B.V. tot terugbetaling van loon wordt eveneens afgewezen, omdat het voor een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang ontbreekt.... lees verder
©2026 Peter Guyt Advies
PrivacyDisclaimerCookies
Voorwaarden/ General Conditions
Website door 2nd Chapter